Rebellie tegen het stoornisdenken

In deze tijd waarin we geacht worden steeds meer afscheid te nemen van het gas heb ik nog nooit zoveel gelezen over ‘gaslighting’. Het wordt gebruikt als duiding van psychologische manipulatie om de ander in de war te brengen en afhankelijk te maken van de manipulator.

Het begrip is afkomstig van het toneelstuk Gas Light (1938) waarin de heer des huizes zo nu en dan het gaslicht dimt; wanneer zijn vrouw opmerkt dat de lamp soms minder licht geeft, ontkent hij dat in alle toonaarden en suggereert dat zij bijziende is geworden. Zijn vrouw gaat twijfelen en gelooft uiteindelijk dat niet het licht zwakker wordt maar haar eigen ogen, of dat zelfs haar gezonde verstand haar in de steek laat. Aangezien dit gedrag relatief vaak voorkomt in relaties is dit een populair onderwerp in tijdschriften als Psychologie, Linda en Libelle. Maar het etiket wordt inmiddels ingezet voor elke manipulator, vandaar dat het niet verwonderlijk is dat Donald Trump als Amerika’s hoofdgaslighter aangeduid wordt.   

Het zwaaien met labels is populair, ook in het onderwijs,  als je af gaat op de hoeveelheid etiketten dan stikt het bij de schooljeugd van de stoornissen: ADHD, dyslexie, dyscalculie, ODD (Oppositioneel Opstandige Stoornis) et cetera. We lijken verslaafd geraakt aan het stoornisdenken; als een kind heel druk is zijn we er als de kippen bij om er een label op te plakken: ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder).

Een etiket als ADHD komt rechtstreeks uit de bijbel van de psychiatrie de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), die naam is misleidend, er staan geen diagnoses in en het heeft ook niets met statistiek te maken - in de Nederlandse vertaling zijn deze termen daarom inmiddels verdwenen -, het is vooral een database van allerlei stoornissen waar ervaren psychiaters een reeks van symptomen aan koppelen; wanneer je bijvoorbeeld aan vijf van de negen criteria voldoet dan haalt de deskundige het etiket tevoorschijn, voldoe je aan drie of vier criteria dan blijft het etiket in de lade. Kortom, het is inschatting van de symptomen, het zegt niets over oorzaken.

 

In de praktijk willen symptomen en oorzaken wel eens door elkaar gehusseld worden, dan heet het dat het kind niet op let en nooit stil zit omdat het adhd ‘heeft’, hier wordt dus beweerd: het kind let niet op en zit nooit stil omdat het niet oplet (Attention Deficit) en niet stilzit (Hyperactivity Disorder). De ‘diagnose’ is een beschrijving die als verklaring wordt gebruikt, een cirkelredenering dus. Toch zijn mensen soms blij met zo’n etiket, het geeft erkenning en zorgt ervoor dat er geld vrijkomt.

Maar of het op grote schaal uitdelen van de vele etiketten op de lange termijn iets oplevert? Daarvoor ontbreekt elk spoortje van bewijs. Wel hebben die labels soms negatieve effecten, het kan tot uitsluiting en een laag zelfbeeld leiden; het kan ook toe leiden tot lage verwachtingen bij docenten die  de prestaties van de leerling negatief beïnvloeden en waardoor de motivatie en het zelfvertrouwen wordt aangetast (het Golemeffect, de vorm van een self-fulfilling prophecy waarbij de negatieve inschatting van iemands toekomstige prestaties de werkelijke prestaties daadwerkelijk negatief beïnvloedt).

 

Die etikettenplakkerij helpt ons, aldus orthopedagoog Laura Batstra, geen steek verder met het begrijpen van het gedrag van een individueel kind. Er is jarenlang een ongelofelijke hoeveelheid geld geïnvesteerd in onderzoek naar mogelijke medisch-biologische oorzaken (verschillen in hersenen, een tekort aan dopamine of serotonine) van bijvoorbeeld ADHD maar het resultaat is nihil.

 

Weliswaar is er onderzoek dat aangeeft dat er op groepsniveau verschillen waar te nemen zijn in de hersenen, maar het rechtstreeks linken van die onderzoeksresultaten aan het gedrag van een individu berust op een knoeperd van een denkfout. Het gedrag van een individu wordt door duizend en een factoren bepaald en er is geen enkele aanwijzing dat een biologisch gegeven een op een verantwoordelijk is voor het gedrag. En toch is er een hele industrie, een medisch-biologisch complex, gebouwd met instituten en onderzoekers die voortdurend lobbyen om die machinerie aan de gang te houden. Conclusie: al dat dure medisch-biologische onderzoek van de afgelopen veertig jaar heeft heel veel geld opgeslorpt en niets zinvols opgeleverd voor het inzicht in het gedrag van individuen.

Laura Batstra. orthopedagoog

Het gedrag van iemand heeft vele achtergronden en werkt voor velen heel verschillend uit. Vandaar dat Batstra pleit voor het rigoureus veranderen van perspectief, door het individuele invalshoek in te wisselen voor onderzoek naar de omgeving waarin het kind opgroeit, door te kijken naar de context waar kinderen zich in bevinden.

 

De relevantie daarvan is zonneklaar, zo blijkt dat aan ‘vroege’ leerlingen (leerlingen die op relatief jonge leeftijd op de basisschool starten)  tweemaal zo vaak het label ADHD wordt uitgereikt; hetzelfde effect zie je bij leerlingen die in armoede leven. Armoede is sowieso de beste voorspeller van allerlei narigheid bij kinderen, die enorme hoop geld die in medisch-biologisch onderzoek wordt gestopt zou daarom beter geïnvesteerd kunnen worden in de bestrijding van armoede.

 

Samen met bijvoorbeeld hoogleraar psychodiagnostiek Paul Verhaeghe, pleit zij ervoor om te stoppen met het individuele stoornisdenken en in plaats daarvan samen met het kind meer te kijken naar de omstandigheden waaronder het kind opgroeit en behoedzaam en spaarzaam om te gaan met het uitdelen van psychiatrische etiketten.

###

 

 

Inspiratie werd geput uit de volgende bronnen: Prof.dr. Laura Batstra hoogleraar orthopedagogiek in Groningen, Ruimte maken voor verschillen, Mulock Houwerlezing 2025 en Verhaeghe, P. (2020). Over normaliteit en andere afwijkingen. Amsterdam: Uitgeverij Prometheus. Zie ook https://www.onderwijsensamenleving.nl/blog/doe-normaal [dec25]