Deltaplan Onderwijs*

Uitgangspunten voor een nieuw onderwijsverhaal

 

Tekening: Leen Baars

Opgegroeid met de dorre onderwijslectuur waarin je struikelt over ‘generieke vaardigheden’, ‘competentieprofielen’, ‘functionalistische visie’, ‘sociale inclusie’, ‘referentiepunten’ leek het wel of onderwijsteksten vooral bedoeld zijn als slaapmiddel. ‘Maar,’ zo stelde ik mij de confronterende vraag, ‘deed ik het dan zelf eigenlijk wel beter?’ Is schrijven misschien zoiets als lesgeven, je kunt wel het een en ander weten van een bepaald onderwerp maar het geven van een boeiende les is toch echt een heel ander verhaal? Moest ik niet naar school?

 

Zo belandde ik op de Schrijversvakschool waar allerlei mensen niet alleen druk doende waren om verder te komen met hun eigen teksten maar waarbij iedereen naar hartenlust commentaar gaf over elkaars werk. Na een aantal rondes feedback over enkele hoofdstukken kon ik het commentaar al redelijk voorspellen: ‘Hé schrijvertje, het is best leuk opgeschreven’, soms in de dodelijke variant: ‘vlot geschreven’, of ‘het is best interessant’, en zelfs ‘ik heb er veel van geleerd’ maar de loftuitingen waren vooral een aanloop voor de conclusie: ‘Het is allemaal zo somber, je doet alsof het allemaal zo slecht is, dat werkt niet: de lezer wil perspectief zien: Geef ons hoop!’

 

En daar zat ik dan met de mond vol tanden. Ik wilde schrijver worden, maar verlosser? En toch zeker geen alwetende auteur van een zelfhulpboek inclusief tips en trucs? Het mocht niet baten. Bovendien daalde het inzicht in dat het ontbreken van een perspectief  de suggestie zou kunnen wekken als zouden de ondeugden van het onderwijs niet alleen historisch gegroeid maar ook onvermijdelijk zouden zijn.   

In zijn mooie boek Een geschiedenis van het Nederlandse onderwijs (2018) neemt Piet de Rooy ons mee in een sprankelende en goed leesbare reis langs de hoogte- en dieptepunten van het onderwijs in ons land verweven met zijn persoonlijke achtergrond. Zijn vader groeide op in een arm gezin, kon goed leren en mocht naar de kweekschool, werd later onderwijzer in  Rotterdam en geloofde heilig in het onderwijs als middel tot emancipatie. Zelf werkte De Rooy ook zijn werkzame leven in het onderwijs, hij was jarenlang hoogleraar geschiedenis in Amsterdam. Hij is doordrongen van het feit dat het onderwijs geen tovermiddel is om alle kwalen van de samenleving te genezen, kritisch op de meet- en regelcultuur, de voortdurende overvraging van het onderwijs en de soms heethoofdige discussies maar uiteindelijk is hij positief over het resultaat.

 

De geschiedenis van het onderwijs is een succesverhaal: bijna alle leerlingen gaan naar school, er zijn mooie gebouwen, keuzemogelijkheden te over, uitgekiende lesmethoden en door de bank genomen goede relaties tussen leerlingen en docenten. Je zou zeggen wat wil je nog meer? Misschien dit: je kunt niet generaliserend concluderen of het onderwijs goed of slecht is, de vraag is voor wie het onderwijs goed of slecht uitpakt. Zie bijvoorbeeld het ronduit belabberde niveau van de lees- en rekenprestaties van leerlingen. Dit geldt niet voor alle leerlingen, de zorgen concentreren zich vooral bij vmbo-leerlingen; anders gezegd het gemiddelde van de onderwijsprestaties verbloemt de harde werkelijkheid: een flinke groep leerlingen presteert beroerd waardoor hun kansen op een goede baan met een redelijk salaris naar de Filistijnen gaat.

 

Ons onderwijs functioneert prima de luxe zo lang je goed bent in theoretisch leren maar als dat niet het geval is krijg je al gauw een negatief stempel dat een slechte invloed heeft op het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van leerlingen. Het is een stokoud probleem, veel leerlingen presteren ondermaats terwijl er voldoende aanwijzingen zijn dat die  leerlingen veel meer zouden kunnen. Tenminste, als we het onderwijs anders organiseren.

Talent en inzet dienen bepalend te zijn voor je schoolloopbaan. Daar zijn de meeste mensen het wel over eens. In de praktijk hebben we dit ideaal ook bereikt, althans voor de kinderen van hoogopgeleide ouders. Voor andere kinderen geldt dat hun postcode bepalend is. Voor kinderen van laagopgeleide ouders zijn de omgevingsfactoren, op groepsniveau uiteraard, bepalend waardoor het onderwijs de maatschappelijke ongelijkheid reproduceert: 45% van de leerlingen met hoogopgeleide ouders krijgen aan het eind van de basisschool een vwo-advies, voor de leerlingen met laagopgeleide ouders is dit 7%.

 

De ondeugden van het onderwijs zijn niet van te voren uitgedacht, het is niet begonnen met een blauwdruk ‘zo gaan we het doen’. Het is de resultante van een geschiedenis vol met economische belangen, botsende visies op onderwijs, politieke keuzes, en met onderdelen die we doen omdat we het altijd al zo deden. De aanklacht tegen het onophoudelijk selecteren, het gejeremieer over de fatale werking van cijfers, de krakkemikkige constructie van het vmbo, het lijkt een soort variant van het Oost-Indisch weten, we horen de waarschuwingen, we horen de kritiek maar we luisteren niet. Het heeft er veel van weg dat het onderwijs lijdt aan het locked-in syndroom: een verlamming van het onderwijssysteem als gevolg van het trauma van mislukte onderwijsinnovaties en de belangen van groepen die profiteren van het bestaande systeem. En omdat veranderen, het vervangen van het oude, concreter: het aantasten van gevestigde belangen en het construeren van iets nieuws hondsmoeilijk is, blijft het onderwijssysteem gemakkelijk in stand.

 

Het is onze verantwoordelijkheid de verrotte fundamenten van het onderwijssysteem te benoemen, het is onze verantwoordelijkheid om dat systeem te veranderen.

 

Het onderwijs is dag en nacht bezig onze kinderen de maat te nemen, het is tijd om dat ook eens te doen met het onderwijssysteem. Het is om doodziek van te worden dat de misfits van ons onderwijssysteem – om er een paar te noemen: de cijfertsunami, de niet-deugende selectie, de verwaarlozing van het praktisch onderwijs, het schadelijke hokjesdenken – al jarenlang aan de kaak gesteld worden. Het is nu tijd voor een nieuw onderwijsverhaal.

 

Dat begint natuurlijk niet met geld maar met wezenlijke vragen: Hoe stimuleren we het leren van alle leerlingen zo goed mogelijk? Hoe kunnen dit zo goed mogelijk organiseren? Hoe zorgen we ervoor dat veel meer leerlingen hun cognitieve en niet-cognitieve capaciteiten kunnen benutten?  Hoe kunnen we de errors die er in ons onderwijssysteem ingeslopen zijn, er uit slopen? Kortom: hoe kan het beter? Ik heb mij zoals dat voor het hele boek geldt, laten inspireren door vele schrijvers, onderzoekers en geleerden, dat geldt ook voor de onderstaande uitgangspunten voor een nieuw onderwijsverhaal. Bij de ideeën over selectie heb ik dankbaar gebruik gemaakt van onder andere het werk van Louise Elffers, de gedachten over vmbo zijn schatplichtig aan de expertise en het denkwerk van vooral Ben van Hilst. Ik heb getracht de inzichten van verschillende onderwijsreuzen te vertalen naar onmisbaar componenten voor een nieuw onderwijsverhaal waarmee het onderwijs een flink opkontje kan krijgen.

1. Van vakkenvuller naar surfer

Het onderwijs selecteert te vroeg, halverwege de basisschool zijn we al bezig met het cognitief selecteren van leerlingen. De basisschool functioneert nu als onderwijsfuik, een proces dat bepalend is voor het verdere verloop van de schoolloopbaan en later het succes op de arbeidsmarkt.  Er is een duidelijk verband tussen vroeg selecteren en ongelijkheid, hoe jonger de leerlingen in de verschillende hokjes van het voortgezet onderwijs worden gestopt, hoe groter de ongelijkheid tussen leerlingen met hoogopgeleide of laagopgeleide ouders.

 

De basisschool moet af van die rol van vakkenvuller. Dat is veel te vroeg: de cognitieve ontwikkeling is tussen twaalf en zestien jaar nog in volle gang, de cognitieve ontwikkeling verloopt niet bij iedereen in hetzelfde tempo. De te vroege selectie is niet alleen slecht voor het psychisch welbevinden van kinderen, het is ook een enorme verspilling van talent, het is aannemelijk dat veel meer leerlingen een hoger niveau kunnen bereiken.

 

Zet de boel daarom niet op slot, er is niet één moment van selectie ideaal voor alle leerlingen, sommigen zijn gebaat bij vroege, anderen bij late selectie. Maak scholen voor voortgezet onderwijs met alle niveaus waarbij leerlingen verschillende routes kunnen volgen, waarbij zij ook makkelijk van de ene op de andere route over kunnen stappen.

2. Van cijfers naar feedback

‘Wie leert voor een cijfer, cijfert zichzelf weg’. Het is de hoogste tijd voor ontcijfering. Cijfers zijn het minst geschikte middel om feedback te geven over het leren van leerlingen en toch zijn onze scholen nog altijd cijfertempels waar die voldoendes en onvoldoendes ingezet worden om te bepalen of je boven of onder het gemiddelde van de groep zit. En daarmee juist niet doet wat-ie moet doen: de leerling steun bieden voor zijn individuele ontwikkeling, voor persoonlijke groei.

 

In het funderend onderwijs dient het doel te zijn dat alle leerlingen links- of rechtsom de gestelde lesdoelen halen. Daarom moeten we af van (veel van) die vermaledijde cijfers en in plaats daarvan inzetten op acties die bevorderlijk zijn voor persoonlijke groei zoals feedback die de leerling inzage geeft in zijn fouten en handvatten geeft om zijn ontwikkeling een slinger voorwaarts te geven.

3. Stop de verwaarlozing, maak interessante scholen voor praktisch onderwijs

Voor de leerlingen die het meeste moeite hebben met leren is er het meest krakkemikkige onderwijs in elkaar geknutseld. Vanaf groep zes word je ingepeperd dat je niet goed kunt leren, daarna lonkt het praktisch onderwijs: leren door doen. Zou je denken. Maar wat volgt is een twee-jarige onderbouw met vrijwel louter theorievakken en vervolgens komt de leerling terecht in een ondoorzichtig geheel van algemene vakken, profielen, profielkeuzevakken en vrije keuzevakken (een rekenmeester kwam tot het verbijsterende aantal van ruim 21 miljoen (!) wettelijk goedgekeurde routes in het vmbo-basis en -kader) waarvan het aanbod volstrekt willekeurig is in de school van jouw keuze.

 

Omdat leerlingen allerlei keuzes (moeten) maken is er telkens een andere samenstelling van de klas, is er geen vast docententeam per klas, ontstaan er roosterproblemen met tussenuren en dit alles bij leerlingen die gebaat zijn bij stabiliteit en rust.

 

Het ergste van alles: die hele vmbo biedt een zeer gebrekkige voorbereiding op het mbo omdat de keuze te vroeg komt en belemmerd wordt door de toevallig aangeboden profielen. Het gevolg is dat heel veel leerlingen op het mbo een ander profiel kiezen dan ze op het vmbo gevolgd hebben. De leraren op het mbo worden zodoende geconfronteerd met studenten uit allerlei profielen met verschillende soorten, of juist geen, praktijkervaring en beginnen dus vanaf het nulpunt.

 

Het kan anders. Veel leerlingen zijn gebaat met praktisch onderwijs: dingen maken, onderzoeken, leren van de praktijk. Organiseer daarom kleine vmbo-scholen van drie jaar zonder dure praktijklokalen, gericht op doen, maken en onderzoeken met als vast onderdeel geletterdheid en burgerschapsvorming onder leiding van een klein vast team van docenten. Afschaffing van het nutteloze examen met daarvoor in de plaats een beoordeling van de mbo-rijpheid waarbij geletterdheid (succesfactor in het vervolgonderwijs nummer één) een wezenlijk onderdeel is. Op het mbo volgt dan een mbo-oriëntatiejaar waarin de student een gemotiveerde keuze maakt voor een echte beroepsopleiding.

Op naar een Deltaplan Onderwijs

Gelijke kansen en maximale ontplooiing van talenten van jonge leerlingen zijn een verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. Vandaar dat het onderwijs een onderwerp van  zorg van de regering is. Dat werkt niet goed met een holle overheid, we moeten daarom af van de zogenoemde duale structuur die ervoor zorgt dat de democratisch gecontroleerde minister wel verantwoordelijk wordt gehouden voor het een en ander maar niet over de bevoegdheden beschikt om te sturen.

 

Maar hoe zetten we dit alles in gang?

 

In ieder geval kunnen we ons geld beter niet zetten op de boven ons gestelden. De spanningsboog van een minister is superkort, als hij aantreedt rekent hij zich rijk met de formele zittingsduur van vier jaar, in de huidige praktijk is het beduidend minder, in de recente geschiedenis heeft een regeringsploeg gemiddeld slechts een zittingsduur van twee jaar. Hoe zou jij het vinden als je je kinderen maar twee jaar zou mogen opvoeden? En zouden die kinderen niet stapelgek worden als zij voortdurend geconfronteerd worden met ouders met heel andere visies op opvoeding?

 

Het is niet toevallig dat de tot nu toe grootste onderwijsoperatie, de Mammoetwet (1968), mogelijk was omdat de drijvende kracht, onderwijsminister Cals, twee volle termijnen van vier jaar aan het roer stond. Het opstellen en uitvoeren van een Deltaplan Onderwijs vergt daarom een andere benadering. Het vraagt in de eerste plaats een nieuw onderwijsverhaal dat gebaseerd op essentiële waarden en ideeën en heldere keuzes maakt. Een onderwijsverhaal dat zich onttrekt aan het korte termijn-denken van politici, een verhaal dat geschreven wordt door competente rebellen: onderwijsmensen, -liefhebbers en -kenners, dat op overtuigingskracht perspectief biedt voor de lange termijn.

 

Een pleidooi voor een heuse onderwijstafel waaraan denkers en doeners, alle belanghebbenden zich kunnen bijdragen aan zo’n onderwijsplan en waarbij een gezaghebbende en onafhankelijk voorzitter de ruimte krijgt om knopen door te hakken. Een  plan met voldoende tijd en geld voor de uitvoering en inclusief een onafhankelijke democratische controle met bijsturingsbevoegdheid. Waarom zou dat eigenlijk niet kunnen? Laten we het doen. Het kan.

###

* Fragment uit Hardleers (te verschijnen in 2026).